Schokschouder en vertrek dan, Ingemar.
Je sibbe achter je stort in als een armetierig kaartenhuis. Licht je voeten en onttrek je
aan graaiende klauwen van mauwende moeders en aan de dode handen van je vader
kleven rouwranden, restjes verse aarde.
Betreur ze dan, bolle ogen, holle wangen, de stief-, half-, pleegbroers;
tezamen zijn zij vergaard en verguisd, het zwerfgespuis in je ouderlijk huis.
Je bent een man nu, Ingemar.
Volg het ruisen van de vlokkende waterval op de tochten langs de zwerfkei,
de bemoste, beboste paadjes uit vervlogen tijden. Het dal leek tot de horizon.
'Zie zijn schouders het dak uitgroeien' zei ze nog zoals moeders
dat soms vergoelijkend doen. Het was al te laat, Ingemar.
Je was er volkomen wars van, de planken en de latten en de spijkers en
het teer, en hoe je keer op keer de splinters voelde van een in duigen geslagen kinderdroom.
'Timmer dan, jong!' en dat godvergeten houten kerstdorp dat weigerde mee te werken.
Alle vallende sterren ten spijt, Ingemar.
De sneeuw ligt nu bedrukt als een neergestorte zomerhemel
vol kilgrauwe wattendons, maar kleine strijders worden groot
en je wangen zijn zo zacht niet meer.
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Het is rustig.
Het enige wat ik hoor
is het geruis van de bomen.
Soms voel ik een koude wind maar
dat is van
binnen. Ik kijk in de vijver,
het water is zo helder
dat ik de donkere bodem zie.
Ik ruik mist. Het wordt erg
wazig. Als ik weer terug
in de vijver kijk zie
ik niks meer. Ik denk dat
dit allemaal
ik ben.
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Zij ligt in haar bedje en terwijl
De geluiden vannacht langs haar venster sluipen
Verregent haar roerloze lichaam en ze voelt
Het ongedierte zoekend door haar haren kruipen
Een lege blik heeft zij gericht op
Daar waar ooit haar plafond was
Het geblakerde hout sist zachtjes na en
De regen vermengt zich met de hoopjes as
Ze durft niet te gaan slapen maar de
Wind sluit voorzichtig haar ogen
De geschroeide teddybeer in haar armpjes
Ligt net als zij, onbewogen.
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Voor de montmartre-achtige winkel zonder de Montmartre achtergrond:
meisje met prei. Staat op de hoek van de straat een beetje af te wachten of
er misschien nog iemand voor haar komt. Ze ziet er niet uit
alsof ze zich thuis voelt, maar ze lijkt ook niet verdwaald - je denkt:
daar kan ik van leren. Al bij het straatbeeld willen beginnen
horen. Er zijn hier alleen maar mannen
die aan een huis of gebouw, dat wat het is staat nog te veel in de steigers
om te kunnen zeggen wat het wordt, bouwen. Er is een radio
die het doet. Als je niet uitkijkt
werp je een zware schaduw op je voeten. Het wordt snel avond,
zo een die achter de gordijnen aan de ramen kleeft en langzaam
naar beneden glijdt als de lantaarns uitgaan, net een meisje
dat haar moeder vraagt hoe laat thuis, vannacht.
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
ik heb je niet meer aangekeken
sinds ik weet hoe loslaten zou moeten voelen.
un.
maar soms dan vraag ik me nog af
hoe jij altijd staat, nooit valt
en dat besluit ook nemen kan zonder opstaan.
deux.
het nare van mijn bedenking is
dat de grenzen nog zo ver open liggen.
als een stofzuiger in mijn hoofd
trois.
die stilgevallen is, als ik je op zou ruimen
trek jij de stekker eruit, maar dat je staat.
quatre vingt-dix moins les trois.
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Het regent buiten
maar wij zien een mooie regenboog
het is een wonder van het weer
het is een wonder dat ieder mens liefde heeft
zonder liefde was er geen regenboog
dan regent het elke dag van verdriet
laten wij met elkaar goede liefde maken
dan schijnt de zon
Zonder regenboog was er geen leven
Liefde is het eind van de regenboog
daarom hou ik van elk meisje
dat maakt ons gelukkig met de regenboog
dan tekenen wij elke dag van de regenboog
en zeggen aan mama die heb ik getekend voor het meisje
waar ik van hou
als er geen regenboog in de lucht is
dat maakt onze natuur niet mooi
dat willen wij toch niet
maak dan goede liefde
als je een liefde laat verknallen
het is een slecht teken want het regent elke dag
totdat liefde weer goed gaat
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Een ander gedicht over liefde
Vanavond gaan we uit, we worden helemaal panja!
Goedkope wodka in plastic bekers, we gaan loesoe, vriend!
En het stille meisje schrijft een ander gedicht over liefde
op de achtergrond draait ze Suzanne van Leonard Cohen
Ben je seri? Komen die blonde chickies ook?
We gaan ze playen, boy, we nemen ze mee naar ozzo!
De gepeste jongen droomt over liefde
in zijn gedachten houdt hij haar hand vast
Kom, man we bellen nog wat matties op!
Ik zweer je, ze willen tuurlijk wel met ons chillen!
Het stille meisje ziet in haar gedachten de jongen voor zich,
ze schrijft nog een regel op, en denkt even na
Fok it man, dat feest wordt beter wel lauw!
Iedereen komt man, iedereen die baas is!
De gepeste jongen denkt aan hoe ze bij biologie eruit zag
Ze had rood aan, het stond zo mooi bij haar gezicht
Kom man we gaan, straks is die deur dicht!
Heb je geen licht? Hopen dat er geen cops zijn, daarzo!
En het stille meisje denkt nog en keer aan zijn trui
en schrijft de laatste regel van haar gedicht.
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Ik stond
bij het meer
ik keek
in het zwarte water
het was het dodenmeer
ik zocht
en vond
mijn opa
en mijn oma
en Kees, de hond
maar- wat zo vreemd is
wie ik er ook vond
was mezelf
Ik keek recht
in m'n eigen ogen
ze waren dieper
dan anders
Ik begreep niet-voelde
of mijn armen
en mijn benen
er nog waren
ze voelden
raar koud aan
en weker
maar ik zag ze wel
Ik pakte
een handje vol water
en snoof
Het rook
niet eens vies
het was alleen zo zwart
Ik probeerde
mijn oma op te scheppen
Maar toen ik kwam
verdween ze snel
Er kwam een man
een grote, met een snor
Ik kende
hem niet
hij leek
op een zeerover
of een woeste
wilde bankberover
Ik wilde net lachen
toen ikzelf plotseling weer verscheen
Ik schrok
wilde me wegduwen
maar gek genoeg
bleef ik muurvast staan
Mijn hand wuifde
of ik toch ook kwam
zwemmen in die zwarte zee
Ik aarzelde, huiverde
Maar toen
voelde ik me helemaal
koud worden
mijn lichaam werd vloeibaar
Ik zag armen, benen, neus
alles zwart water worden
En even later
zwom ik zelf mee
in het duistere dodenmeer
Tussen allen
die gestorven zijn
hoopte ik
het leven te houden
In het diepe, donkere meer
leef ik
nog een andere keer
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
Zoals een blad
verkleurt in de herfst
zo kleurden
de dagen mee
in een tijd die
weg slipte
uit een gescheurde
zandloper
die vermoeid was
van wentelingen,
die brak op een dag
daar waar wij nu spelen
© Stichting Doe Maar Dicht Maar
er glipt een geluidje in zijn oor
opgevangen
een flits van herkenning
lang geleden
hoopvol kijkt hij rond
hebben zij het ook opgevangen
maar helaas in de wereld van
vierpotigen en kwispelende staarten
is alleen het blaffen aanstekelijk
het geluid wordt gestopt in een doosje
en later in zijn laaste ademvlucht
voert hij het aan
zijn oren
zodat bij het uitblazen van zijn
levenslucht
er een bombastisch fluitconcert ontstaat
en de wereld een hele seconde stil is
© Stichting Doe Maar Dicht Maar